Ras Standaarden
OORSPRONG: België- Frankrijk Groep indeling volgens het FCI 1 Alle herdershonden
en Vlaamse Koehond Sectie 2: ras Gebonden aan werkproeven
OORSPRONG
De bouvier des Flandres is van oorsprong uit Vlaanderen zowel Frans Vlaanderen
als Belgisch Vlaanderen, daar er geen enkele natuurlijke grens tussen beide
landen bestaat.
INDELING F.C. Groep 1 Herdershonden en Koehonden
( uitgezonderd Zwitserse Koehonden )
Sectie 2 gebonden aan werkproeven
AANLEG en GEBRUIK In het verleden was de Vlaamse Koehond een helper van de
veedrijvers of boevers, een trekhond en een karrehond op de hofsteden. De
modernisering van het landbouwbedrijf heeft zijn vroegere werkkring uitgeschakeld,
en tegenwoordig is hij de bewaker van hofsteden en buitenverblijven, en ook
verdediging en politiehond. Zijn lichamelijke en zijn karaktereigenschappen,
zijn scherpe reukzin, zijn initiatief en verstand maken, dat hij ook als speur
en verbindingshond en tegen de wildstropers kan worden gebruikt. Hij is zeer
moedig waakzaam en trouw
ALGEMENE EIGENSCHAPPEN .Zijn gedrongen lichaamsbouw, een korte romp gedragen op sterke en goed gespierde ledematen geven aan zijn optreden een indruk van macht, zonder dat het geheel een gevoel van logheid opwekt. De Vlaamse Koehond heeft een vurige blik, waaruit schranderheid, wilskracht en durf blijken. Het karakter is kalm en verstandig, met het voorkomen van een 'wijze durver'
HET HOOFD Het hoofd heeft een massief voorkomen, deze indruk wordt nog vermeerderd door baard en snor. In werkelijkheid moet het hoofd evenredig zijn met gestalte en bouw. Bij betasting kan men waarnemen dat het hoofd goed belijnd is.
SCHEDEL (voorhoofd ) Goed ontwikkeld vlak, iets minder breed dan lang. De lijnen van schedel en neusrug verlopen evenwijdig. De verhouding in lengte van schedel en snuit zijn als van drie tot twee.
VOORHOOFDGROEF Deze is weinig afgetekend.
DE STOP Weinig afgetekend, meer schijn dan werkelijkheid, zulks door de opstaande wenkbrauwen.
SNUIT Breed en machtig, beenderig met een rechtlijnige neusrug, zich naar de neus toe lichtelijk vernauwend, zonder dat de neus puntig wordt; De lengte is in verhouding tot de schedellengte als van 2 tot 3, en de omtrek van de snuit juist onder de ogen genomen is ongeveer gelijk aan de totale lengte van het hoofd.
LIPPEN Goed aangesloten en een zeer donker pigment
NEUS Is de verlenging van de neusrug die in een licht gebogen lijn naar de neusopening overgaat. Deze moet goed ontwikkelt zijn, de wanden afgerond, met open neusgaten. De kleur is steeds zwart.
KAKEN EN TANDEN De kaken moeten sterk en van gelijke lengte zijn. De tanden compleet sterk, wit en gezond en correct ingeplant.De bovenste snijtanden moeten op de onderste glijden als de lemmeren van een schaar, of op elkaar passen als een nijptang. Het tand gebit moet compleet zijn.
WANGEN Droog en Vlak
OGEN. De uitdrukking is wilskrachtig noch uitpuilend, noch te diep liggend in de oogholten. De ogen zijn enigszins langwerpig ovaal en horizontaal geplaatst. De kleur moet zo donker mogelijk zijn, in verhouding tot de kleur van de vacht. Lichte ogen, ook deze met een wilde uitdrukking, moeten streng bestraft worden.
OOGLEDEN Zwart van kleur zonder tekens van deppigmentatie. De bindvliezen mogen niet zichtbaar zijn.
OREN In driehoekvorm gesneden, rechtop gedragen, hoog aangezet en zeer beweeglijk. Het verdient aanbeveling, rekening te houden met het formaat van het hoofd bij afkorten der oren.
NIET GESNEDEN OREN Stand hoog ingeplant, boven het niveau der ogen, de oorschelpen vallen verticaal; de breek plooi mag niet boven het schedelpunt uitsteken. Vorm en dracht half lang, in de vorm van een gelijkzijdige driehoek, lichtjes afgerond op de punt, platvallend op de wangen, echter bij de aanzet aan het hoogste punt is er een lichte afzet; niet geplooid, niet fladderend, in verhouding tot de grootte van het hoofd, bedekt met korthaar.
HALSPARTIJ. De hals wordt vlot gedragen; hij is sterk gespierd en verbreedt zich geleidelijk naar de schouders toe, de lengte van de hals moet iets minder zijn dan de lengte van het hoofd. Nek fors en licht gewelfd. Geen keelhuid
SCHOFT. Mag lichtelijk uitspringen
ROMP De romp is fors met brede rug en kort. De lengte, gemeten vanaf het boeggewricht tot aan het zitbeen moet ongeveer gelijk zijn aan de schofthoogte. De borstkas moet tot aan de ellebogen reiken en mag niet cilindrisch zijn alhoewel de ribben gewelfd moeten zijn. De diepte van de borstkas, dat wil zeggen de afstand tussen het boeggewricht van de laatste rib, moet zeer groot zijn, ongeveer 7/10 van de schofthoogte
RIBBEN. De eerste ribben zijn licht gebogen, de andere gewelfd en zeer naar achter gericht om de gewenste diepte van de borstkas te bekomen.Vlakke ribben moeten zwaar worden bestraft.
FLANKEN. De flanken, tussen de laatste rib en de heup gelegen, moeten zeer kort zijn, bijzonderlijk bij de reuen. De buik is weinig opgetrokken
RUG. Kort, breed, gespierd en horizontaal, zonder zwakheid te tonen; hij moet nochtans lenig blijven.
LENDENEN. (nierenpartij ). Kort, breed, gespierd. Zij moeten lenig zijn, zonder enige zwakheid te tonen.
KRUIS. In lijn met rug en lendenen om geleidelijk over te gaan tot de ronding van de dijen. Breed zonder overdrijving bij de reu; meer ontwikkeld bij de teef. Een afzakkend of een afvallend kruis is een zware fout.
STAART. De staart wordt afgekort binnen de week van de geboorte, op 2 of 3 wervels. Hij moet in de normale verlenging van de ruggengraat zijn en hoog gedragen worden gedurende de bewegingen. Sommige honden worden als kortstaart geboren en mogen hiervoor niet worden bestraft. De niet gecoupeerde staarten zijn toegelaten en mogen niet worden bestraft.
VOORHAND. De ledematen moeten goed gebot en gespierd en volkomen recht zijn van voor gezien.
SCHOUDERS. De schouders zijn gespierd, maar niet overladen. Het schouderblad is tamelijk lang en matig schuinsliggend. Het opperarmbeen en het schouderblad zijn van ongeveer dezelfde lengte.
ELLEBOGEN. Goed aan de romp aansluitend en evenwijdig. Uitstekende of naar binnen staande ellebogen zijn foutief. Bij het gaan moeten zij zich bewegen in vakken, evenwijdig aan de middenlijn van het lichaam.
VOORBENEN. Zij moeten recht zijn, zowel van voren als van ter zijde gezien, evenwijdig met elkaar en in loodrechte lijn met de bodem. Zij moeten gespierd en zwaar van bot zijn
POLSGEWRICHTEN. Recht, in lijn met de voorbenen. Het hielbeentje alleen is aan de achterzijde uitspringend. Zwaar gebot.
MIDDENVOETEN. Zwaar gebot, tamelijk kort, zeer weinig voorwaarts geplooid.
VOORVOETEN. Kort, rond, sterk niet binnen of buiten draaien. De tenen moeten gesloten en gewelfd zijn. Sterke en zwarte nagels. De zolen dik en hard.
ACHTERHAND. Machtig, zeer flink gespierd. Zij moeten zich in dezelfde richting als deze van de voorhand bewegen.
DIJEN Breed, zeer gespierd. Hun bewegingen moeten in met de middenlijn van het lichaam gelijklopende vlakken gebeuren. Het dijbeen moet noch te recht, noch te schraag zijn. De schenkel moet laag komen, gevuld en goed bevleesd zijn. De knieschijf is geplaatst op de denkbeeldige lijn, die gaat van het hoogste punt van het darmbeen tot aan de grond.
BENEN. Middelmatig van lengte, goed gespierd, niet te recht noch te schuin.
MIDDENVOET. Sterk en pezig, eerder cilindrisch en loodrecht met de grond, als de hond “geplaatst” staat.
SPRONGGEWRICHTEN. Eerder laag bij de grond, breed, evenwijdig “ in de stand”. Bij het gaan, mogen zij noch sluiten, noch afzetten, en zich daardoor van de loodrechte lijn verwijderen.
ACHTERVOETEN. Rond, sterk, de tenen goed gesloten en gewelfd. Sterke en zwarte nagels, zolen dik en hard.
VACHT. De vacht is weelderig, het dekhaar vormt met het dichte onderhaar een beschuttende bekleding, aangepast aan het plotseling veranderend klimaat van het oorspronggebied van het ras.
Haar. Moet ruig aanvoelen, droog en dof zijn, noch te lang, noch te kort ( ongeveer 6 centimeter ), lichtjes warrelig, maar zonder wollig of gekruld te zijn. Op de schedel is het haar kort, zeer kort zelfs op de buitenkant der oren, maar de ooropeningen zijn beschut door niet te lange haren. Het haar is bijzonder hard en krassend op de bovenrug; het is korter op het onderste der ledematen, alhoewel het daar ook ruig blijft. Glad aanliggend haar dient te worden vermeden, daar zulks veroorzaakt wordt door gemis aan onderwol.
ONDERHAAR. Een onderwol, gevormd door fijne en dichtgesloten haren die onder het dekhaar groeien, vormt samen met het dekhaar een waterdichte bekleding.
KLEUREN. De vacht van de Vlaamse Koehond is over het algemeen wildkleurig grijs, meestal gestroomd of zwart gevlamd; ook een zwarte vacht wordt erkend, maar zal geen voorkeur mogen genieten. De lichtgekleurde vachten ( genaamd ontkleurde vachten zijn ongewenst ). Een witte ster op de borst is wel toegelaten (borstster)
SNOR en BAARD. Goed gevuld. Het haar moet droog, korter en ruwer zijn op de bovenkant van de snuit. De bovenlip heeft een snor, en de kin een goed gevulde en ruige baard, die aan het ras de gewenste grimmige uitdrukking geeft.
WENKBRAUWEN. Worden gevormd door rechtopstaande haren, die de vorm van de wenkbrauwbogen doen uitkomen, zonder echter de ogen te bedekken (de ogen moeten steeds goed zichtbaar zijn ).
HUID. Goed spannend, zonder losheid. De zichtbare slijmvliezen zijn steeds zeer donker gekleurd.
ZICHTBARE GESLACHTSDELEN. Volledig gevormd. Bij de reuen, moeten de twee teeltballen op hun natuurlijke plaats liggen.
GROOTTE EN GEWICHT
SCHOFTHOOGTE. Deze is van 62 tot 68 centimeters bij reuen
en van 59 tot 65 centimeters bij de teven. Bij beiden, is de ideale schofthoogte
het gemiddelde van de opgegeven maten, dus 65 centimeters bij de reuen en
62 centimeters bij de teven.
GEWICHT. Het gewicht is ongeveer van 35 tot 40 kg bij de reuen en van 27 tot 35 kg bij de teven.
GANGEN. De algemene verhouding van de Vlaamse Koehond vormt een evenredig geheel, ten einde een vrije, franke en fiere gang te veroorloven. Stap en korte draf zijn de gewone gangen van de Vlaamse Koehond; er zijn echter soms telgangers.
ZWARE FOUTEN
1)- SCHUWE HOND
2)-LICHAAM -- TE ZWAAR OF TE LOG
3)-LICHAAM -- TE LANGLIJVIGE DIEREN ( EEN LICHTE AFWIJKING BIJ TEVEN TOEGESTAAN ) HET ONTBREKEN VAN VOLDOENDE MASSA
4)- HOOFD ----- TE MASSIEF, STOP TEVEEL AFGETEKEND ( TE VEEL STOP ) VOORHOOFDGROEF TE DUIDELIJK ZICHTBAAR, TE DUIDELIJK UITSPRINGENDE JUKBEENDEREN.
5)- SCHEDEL -- TE ROND, TE SMAL, JACHTKNOBBEL TE UITSPRINGEND, ZEER BELANGRIJK IS DE CORRECTE VERHOUDING TUSSEN SNUIT EN SCHEDEL VAN 2 TOT 3
6)- SNUIT ----- - VOORSNUIT TE LANG, NEUS ONVOLDOENDE ONTWIKKELD ( te PUNTIG )
7)- LIPPEN ---- TE LOSSE LIPPEN WAARDOOR DOORHANGEND IN DE MONDHOEK, TE DUNNE LIPPEN WAARDOOR ONVOLDOENDE SLUITING
8)- KAKEN ---- KAAKBEENDEREN VAN NIET GELIJKE LENGTE.
9)- TANDEN --- TE KLEINE NIET GOED ONTWIKKELDE TANDEN, TANDEN NIET VOLDOENDE WIT EN GEZOND, TANDEN NIET CORRECT IN LIJN GEPLAATST.
10)- OGEN ---- TE LICHT GEKLEURDE OGEN, UITPUILENDE OGEN, OGEN MET EEN WILDE UITDRUKKING.
11)- OREN ---- NIET CORRECT VOLGENS STANDAARD GEDRAGEN.
12)- HALSPARTIJ --- TE CYLINDER VORMIG, TE VEEL KEELHUID.
13)- RUG ----- ZADELRUG, GEKROMDE RUG.
14)- Belangrijke fouten bij stand - TE STEIL, TE GESPREID, OVER HOEKT IN DE ACHTERHAND.
15)- BEHARING - ZIJDEACHTIG, GEBREK AAN ONDERVACHT, TE ZACHT EN DAARDOOR TE WOLLIG, TE GLANZEND, TE VLAK LIGGEND OP HET LICHAAM ( STOKHAAR ) bij het voorbrengen te overdadig met de schaar bijgesneden.
16)- BEHARING VAN HET HOOFD - HET ONTBREKEN VAN SNOR, BAARD, en wenkbrauwboog beharing ( let wel : de wenkbrauwbeharing mag nooit de ogen bedekken, de ogen moeten steeds en altijd duidelijk zichtbaar zijn ).
17)- DEPIGMENTATIE--- VERLIES VAN PIGMENT OP LIPPEN, NEUS EN OOGRANDEN
FOUTEN MET REDEN TOT UITSLUITING
* BANG bang of gevaarlijk agressief
* TYPE ontbreken van juist type
* NEUS gevlekte neus of anderskleurig dan zwart
* SNUIT te puntig
* TANDEN ondervoor overbijter of boven vooroverbijter
* TANDEN niet compleet; het ontbreken van meer dan één PM1
is niet toegelaten
* OGEN glasogen of ogen met wilde uitdrukking
* ENTROPION entropion of ectropion
* VACHT chocolade bruin, wit, peper en zout, afgewassen kleuren en alle andere
kleuren gaande van blond naar rosbruin.
* HOOGTE buiten de limiet van standaard
CRYPTORCHIDESMUS Eenzijdige of tweezijdige
*- TESTIKELS --- BEIDE TEELBALLEN MOETEN BIJ DE REU GOED ONTWIKKELD ZIJN, BEIDE AANWEZIG IN HET SCROTUM EN DUIDELIJK TASTBAAR.